Ontwerp-streefpeilenplan Lingesysteem

Lingepand Kolffgemaal

Lingepand Krakkedel tot Julianastuw

Bron: Waterschapsblad — 29 juni 2017 — Nr. 5888

Inspraak ontwerp-streefpeilenplan Lingesysteem Waterschap Rivierenland

Besluit van het college van dijkgraaf en heemraden
Het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland heeft het ontwerp-streefpeilenplan Lingesysteem vastgesteld.
Daarbij is gelet op:

  • artikel 5.2 van de Waterwet;
  • de Inspraakverordening Waterschap Rivierenland 2010;
  • afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het college heeft besloten het ontwerp-streefpeilenplan op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor inspraak ter inzage te leggen.

Inhoud ontwerp-streefpeilenplan Lingesysteem
Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor de realisatie van een veerkrachtig en duurzaam waterbeheer in het rivierengebied. Onderdeel van deze verantwoordelijkheid is het vaststellen van peilbesluiten en streefpeilenplannen. Waterschap Rivierenland stelt een streefpeilenplan op voor de rivier de Linge die stroomt vanaf Doornenburg tot Hardinxveld-Giessendam; inclusief het Merwedekanaal tot Vianen en de Zouweboezem tussen Meerkerk en Sluis.

In het streefpeilenplan Lingesysteem staat beschreven welke waterpeilen er in het gebied gaan gelden en binnen welke bandbreedte de peilen mogen fluctueren. Zorgvuldig onderzoek en analyse heeft geresulteerd in een nieuw ontwerp-streefpeilenplan waarin veel hetzelfde is gebleven. De daadwerkelijke aanpassingen zijn beperkt tot een kleine aanpassing van een peil en twee marges in drie van de veertien Lingepanden. Met de voorgestelde wijzigingen worden voor het gebied als geheel betere condities gerealiseerd voor zowel landbouw, natuur, bebouwing als het watersysteem zelf.

Voorlichtingsbijeenkomst
Het waterschap organiseert twee bijeenkomsten over het ontwerp-streefpeilenplan:

  • voor het Lingepand van Geldermalsen tot Gorinchem en het Merwedekanaal inclusief de Zouweboezem van Vianen tot Hardinxveld-Giessendam op dinsdag 4 juli 2017 in De Schildkamp in Asperen,  aanvang 19.30 uur;
  • voor de Lingepanden van Doornenburg tot Geldermalsen op woensdag 5 juli 2017 in het waterschapskantoor in Tiel, van 16.00 tot 20.00 uur.
    Op deze bijeenkomst kunt u binnenlopen op een moment dat u schikt.

Ontwerp-streefpeilenplan met bijlagen ter inzage
Voordat het college van dijkgraaf en heemraden overgaat tot vaststelling van het streefpeilenplan ligt het ontwerp van het streefpeilenplan met bijbehorende documenten van vrijdag 30 juni 2017 tot en met donderdag 10 augustus 2017 tijdens kantooruren voor iedereen ter inzage in het kantoor van het waterschap, De Blomboogerd 1 in Tiel.

Het ontwerp-streefpeilenplan en bijlagen zijn als bijlagen bij dit Waterschapsblad opgenomen.

Reageren
Tijdens de inzagetermijn kunnen belanghebbenden en inwoners mondeling, schriftelijk of digitaal reageren op het ontwerp-streefpeilenplan door het indienen van een zienswijze.

Voor een mondelinge inspraakreactie kunt u terecht bij de heer H.J. van de Braak (bereikbaar op telefoonnummer 0344-649208). Bij afwezigheid van de heer Van de Braak kunt u contact opnemen met mevrouw J. van Tol (bereikbaar op telefoonnummer 0344-649480).

Voor een schriftelijke inspraakreactie kunt u een brief richten aan het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, Postbus 599, 4000 AN Tiel.

Voor het indienen van een digitale inspraakreactie kunt u het geschikte formulier vinden op:

www.waterschaprivierenland.nl/common/regelen-en-aanvragen/
zienswijze.html

Reacties per e-mail kunnen wij niet in behandeling nemen.

Degenen die een zienswijze hebben ingediend, brengen wij op de hoogte van het genomen besluit en van de manier waarop de resultaten van de inspraak zijn verwerkt. Vaststelling van het streefpeilenplan gebeurt door het college van dijkgraaf en heemraden (naar verwachting in oktober 2017). Het streefpeilenplan zal geldig zijn tot de volgende herziening van het streefpeilenplan Linge in 2027.

Meer informatie
Wilt u meer weten over het ontwerp-streefpeilenplan? U kunt daarvoor terecht op de website van het waterschap:

www.wsrl.nl/common/beleid/peilbesluiten/peilbesluitgebieden/
streefpeilenplan-linge-merwedekanaal-en-zouweboezem.html

U kunt ook contact opnemen met de heer H.J. van de Braak (team Kennis en Advies), bereikbaar onder telefoonnummer 0344 – 649208.

bijlagen

Download the PDF file Ontwerp-besluit Streefpeilenplan Lingesysteem.

Download the PDF file Lingesysteem Toelichting op het Streefpeilenplan.

Download the PDF file Analyse Lingepand 14.

Streefpeilenplan Lingesysteem

Bron:    Niet Waterschap Rivierenland,
         maar Gemeente Zederik en Rijkswaterstaat
Zie ook: Links- of rechtsom, het peil moet omhoog
Streefpeilenplan

Download the PDF file Streefpeilenplan Lingesysteem.

KRW Rivierenlandplan

Download the PDF file Streefpeilenplan Lingesysteem.

SGBP2 Factsheet Zouweboezem

Download the PDF file Streefpeilenplan Lingesysteem.

Parijs, een klimaatakkoord: wat betekent dit voor waterbeheer?

Bron:   WATER GOVERNANCE - 01/2017 - ENERGIETRANSITIE - 11
Auteur: Willem Bruggeman – Strategisch adviseur bij Deltares

Relatie tussen de evolutie van watermanagement en daling van veenbodems in Nederland. Ontwatering leidt tot oxidatie van veenbodems.

Gevolg: een hoge emissie van CO2 en bodemdaling (subsidence) die sneller gaat dan de zeespiegel stijgt.

De contouren van de nieuwe uitdagingen voor het waterbeheer worden zichtbaar. We mogen wel wat vooruitkijken…

De waterbeheerder in Nederland heeft een groot belang bij beperking van de klimaatverandering. Dat scheelt komende decennia aanmerkelijk in overstromingsrisico’s, wateroverlast en zoetwatertekorten. Maar om de mondiale opwarming beneden de twee graden te houden is het nodig de uitstoot van broeikasgassen zeer snel en vergaand te reduceren. De energietransitie is één ding: het zal moeite genoeg kosten om tijdig over te schakelen naar een duurzame energievoorziening en beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen voor verwarming en voor verkeer en vervoer. Over de bijdrage van water aan de energietransitie, naast zon en wind, is in dit themanummer genoeg te vinden.

Er is echter meer nodig om de doelstellingen van ‘Parijs’ te halen. De reductie van de uitstoot van broeikasgassen vergt transities op het terrein van voedselvoorziening, stedelijke inrichting, natuur en transport. Wereldwijd gaat het om grote veranderingen in land- en watergebruik, nodig om de miljarden nieuwe deltabewoners ruimte en leven te bieden zonder het klimaat verder aan te tasten.

Ook in Nederland heeft dit consequenties voor het waterbeheer. Hoe kunnen we die omschakeling maken?

In dit artikel kijken we eerst naar de strekking van de recente klimaatakkoorden, en vergelijken die met de scenario’s die zijn opgesteld in het kader van het Deltaprogramma, de toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving (WLO) van de planbureaus en de meest recente klimaatscenario’s van het KNMI.

Sociaaleconomische ontwikkelingen en klimaatverandering worden daarin met elkaar in verband gebracht. Zijn de deltaproblemen opgelost met minder dan twee graden temperatuurstijging?

Vervolgens proberen we een indruk te geven van de veranderingen in land- en watergebruik die nodig en mogelijk zijn om bij die doelstelling in de buurt te komen. Daarmee beginnen de contouren van de nieuwe uitdagingen voor het waterbeheer zichtbaar te worden. We mogen wel wat vooruitkijken…

Verkenning: zijn de Deltascenario’s nog actueel?

Het Deltaprogramma houdt rekening met klimaatverandering en met groei van de Nederlandse bevolking en economie in de 21ste eeuw. Daarvoor zijn in 2013 de Deltascenario’s ontwikkeld. Maar wat verandert het klimaatakkoord van Parijs (gesloten in december 2015, al in november 2016 in werking getreden) daaraan? Hoeven we nu niet meer rekening te houden met steeds meer extreme neerslag, hoogwater en droogte? Dat was aanleiding voor de staf van de Deltacommissaris om een verkenning uit te laten voeren naar de houdbaarheid van de Deltascenario’s, en daarbij ook te kijken naar de uitwerking van de KNMI-klimaatscenario’s van 2014. En werpt de WLO-studie van 2015 ‘Nederland in 2030-2050: twee referentiescenario’s – Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving’ van PBL en CPB nieuw licht op de toekomst, bijvoorbeeld op de relatie tussen sociaaleconomische ontwikkelingen en klimaat?

De verkenning werd in 2016 uitgevoerd door Deltares, KNMI en PBL.1 Een blik op de uitkomsten:

De ‘minder-dan-twee-graden’ doelstelling vergt een zeer vergaande vermindering van de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen, die ook nog eens snel gerealiseerd moet worden, anders blijft het gehalte in de atmosfeer te lang hoog en gaat de opwarming verder. We moeten denken aan meer dan 80-90% emissiereductie, te bereiken ruim voor 2050. En de effecten zien we pas later, in de vorm van het achterwege blijven van verdere opwarming.

Mocht het niet snel genoeg lukken met die mondiale emissiereductie (en de toegezegde reducties van de betrokken landen zijn nu bij lange na nog niet voldoende), dan ligt het hele speelveld van de KNMI-klimaatscenario’s (2014) en de Deltascenario’s nog open. Met veel vaker extreme neerslag en rivierafvoeren, onder bepaalde condities ook meer kans op drogere zomerperioden en zeespiegelstijging tot een meter aan het eind van deze eeuw.

Met die versnelde zeespiegelstijging is nog iets bijzonders aan de hand. Allereerst reageert de zeespiegel sterk vertraagd op mondiale opwarming, en blijft de stijging dus ook nog decennialang doorgaan als de broeikasgasemissies tot het vereiste niveau zijn teruggebracht. Maar bovendien zou er sprake kunnen zijn van een onomkeerbaar proces door de afbraak van de ijskap van Antarctica, met als gevolg dat de zeespiegel meer dan anderhalve meter zou kunnen stijgen deze eeuw, en nog vele meters nadien.

Adaptatie en mitigatie

Dreigende vooruitzichten dus voor het waterbeheer, en niet alleen in Nederland! Een reden te meer om eens goed te kijken naar onze klimaatadaptatiemogelijkheden (hoeveel zeespiegelstijging kunnen we aan, als het moet, en wat voor alternatieven hebben we?), maar ook naar de veranderingen in land- en watergebruik, transport, energie en stedenbouw die nodig zijn om de broeikasgasemissies voldoende te beperken. Klimaatmitigatie dus.

In de WLO-studie van 2015 zijn diverse ‘aanvullende onzekerheidsverkenningen’ uitgevoerd, onder meer naar de condities voor een ‘tweegradenscenario’.2 Daarin zien we al contouren van de noodzakelijke energietransitie, gecombineerd met veranderingen in transport en landgebruik. Deze verkenning concentreert zich tot nu toe op het gebruik van energie en fossiele brandstoffen in Nederland en beperking van CO2– emissie door bijvoorbeeld ondergrondse opslag. Over die energietransitie gaan de meeste artikelen in dit themanummer van Water Governance. Maar misschien moeten we ook in andere lijnen en mogelijkheden denken, en de vertaling naar waterbeheer, of liever water governance maken. We zullen dan wel steeds de verbinding moeten leggen met de mondiale problematiek, want Nederland kan het niet in zijn eentje opknappen. We sluiten aan bij de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties.3 Hieronder een eerste indicatie.

Stedenbouw

De bevolking van laaggelegen stedelijke gebieden zal komende decennia mogelijk verdubbelen, van 3 naar 6 miljard mensen, voor een groot deel in Azië. Dat is een enorme opgave voor woningbouw, infrastructuur, voedsel-, water- en energievoorziening, maar ook een kans voor duurzame inrichting. Denk aan materiaalgebruik (‘circulaire economie’), transport over water, warmte- en koudeopslag in de ondergrond voor koeling en verwarming. Maar het begint met de locatiekeuze: waar kan het beste gebouwd worden vanuit het oogpunt van bescherming tegen overstroming, watervoorziening, en voorkomen van bodemdaling? Is inpoldering wel zo’n goed idee, ook gezien de energiekosten van voortdurende bemaling? Nederland heeft er ervaring mee. Een goede inrichting kan veel energie en CO2-uitstoot besparen. Ook in ons land zullen regelmatig woonwijken vernieuwd worden. Het kan dan geen kwaad te beginnen vanuit het waterbeheer.

Overstromingsbescherming

Zandsuppletie is het fundament van onze kustbescherming. Dat is niet eenmalig maar gaat permanent door. Hoe sneller de zeespiegel stijgt, hoe meer suppletie om die bij te houden. Ook als er voldoende zeezand beschikbaar is, gaat dit steeds meer energie kosten. Gaan we daarvoor een groot deel van de wind-op-zee gebruiken, of blijven we afhankelijk van fossiele brandstoffen? Het kan misschien anders dan met de huidige zandzuigers.

Transportinfrastructuur

Scheepvaart geldt als een zeer energie-efficiënt transportsysteem, in vergelijking met bijvoorbeeld wegtransport. In het goederenvervoer is nog wel een slag te maken: omschakeling naar minder vervuilende brandstoffen, duurzame energiebronnen. Maar misschien ook naar een fijnmazig distributienetwerk, inclusief pijpleidingen en minicontainers, in West- Europa. Dat kan betekenen dat ons vaarwegennet, meer dan een eeuw oud, er heel anders uit gaat zien.

In de praktijk is de inrichting en het beheer van de grote vaarwegen nogal dominant in de Nederlandse waterhuishouding. Denk aan het handhaven van vaardiepte, open verbinding met zee, sluizen en stuwen. Een duurzame, energie-efficiënte inrichting van vaarwegen of alternatieve transportsystemen kan ook de miljarden kostende vervangingsopgave van ‘natte kunstwerken’ in een ander licht plaatsen.

Voedselvoorziening

Landbouw is de belangrijkste bron voor de voedselvoorziening, wereldwijd. Maar niet alle landbouw is even efficiënt, als het gaat om landgebruik en broeikasgasemissies. Intensieve veeteelt voor vlees- en zuivelproductie maakt gebruik van grote hoeveelheden eiwitrijk graan en soja als krachtvoer. Dat voer wordt grotendeels geïmporteerd. De uitstoot van broeikasgassen door het vee is hoog, zeker per kilogram geproduceerd eiwit. De mondiale ‘footprint’ van de Nederlandse landbouw is daardoor aanzienlijk.

Een duurzame landbouw in Nederland, die helpt om klimaatverandering te beperken, zal dus ook minder intensieve vlees- en melkproductie inhouden, en relatief meer duurzame en klimaat neutrale glastuinbouw.4 Er is dan meer plaats voor extensief grasland, bos en natuur. En die stellen andere eisen aan het waterbeheer: een minder rigide peilbeheer, en minder afhankelijkheid van zoetwater. Misschien valt het met de waterproblemen allemaal wel mee… Voor het veenweidegebied zijn er bijzondere opgaven.

Bodemdaling tegengaan

De vertering van veenbodems als gevolg van ontwatering is een wereldwijd probleem. De CO2-uitstoot door de oxidatie is aanzienlijk. In de bodem opgeslagen koolstof verdwijnt in rap tempo in de atmosfeer. Het effect is vergelijkbaar met het verstoken van fossiele brandstoffen. En vroeger werd inderdaad turf als brandstof gebruikt. In Nederland leidt die vertering van veengebieden tot een maaivelddaling in de orde van een meter per eeuw, al sinds de middeleeuwen. Veel meer dan de zeespiegelstijging dus. Maar niet overal is het veen al op: in laag West en Noord-Nederland gaat het snel door. En peil volgt functie: dus het waterpeil wordt steeds verlaagd om de landbouw mogelijk te maken, en de oxidatie schrijdt voort. Het effect op het klimaat is niet onaanzienlijk: de CO2-uitstoot door veenoxidatie in Nederland wordt geschat op ongeveer 5 miljoen ton per jaar.5 Is dat veel? Misschien niet als we dat vergelijken met de totale huidige broeikasgasemissie in Nederland van ca. 200 miljoen ton CO2-equivalenten per jaar. Een paar procent dus. Maar het telt wel aan als we de totale emissie met 80% of meer willen terugdringen voor een ‘niet-meer-dan-twee-graden’-klimaatscenario. Dan gaat het om 5 miljoen ton op een restant van hooguit 40 miljoen ton CO2, in 2050: bepaald niet te verwaarlozen. Een paar vergelijkingen om dit te illustreren:

  • In het scenario Hoog van de WLO-studie wordt in 2030 jaarlijks 19 miljoen ton CO2 afgevangen en ondergronds opgeslagen (CCS: carbon capture and storage), en in 2050 al 33 miljoen ton. Is het dan logisch om 5 miljoen ton uit veen de lucht in te laten gaan?
  • De windturbine van Schieland en de Krimpenerwaard (zie artikel ‘Water en wind in NL’ in dit nummer) levert jaarlijks een CO2– reductie op van vijfduizend ton. Niet gering, maar de uitstoot door veenoxidatie in Nederland is wel duizendmaal zo groot…

Wat betekent dat voor het waterbeheer? Duizend windturbines neerzetten om de CO2-uitstoot te compenseren? Die zullen al nodig zijn voor onze duurzame energievoorziening.

Misschien is het dan verstandig om toch meer werk maken van het tegengaan van veenbodemdaling, door het stoppen van de voortdurende waterpeilverlaging. Vernatting dus. In veel gevallen betekent dat een extensivering van de landbouw, of omzetting in natte natuur. Dat kan goed passen in een algehele transitie van de landbouw en voedselvoorziening.

En wie gaat dat betalen? Je kunt je afvragen wat vermindering van CO2-uitstoot ons waard is. In de WLO-studie worden verschillende scenario’s gehanteerd voor CO2-emissieprijzen, een belangrijke sturende factor. In 2030 zou het kunnen gaan om 40 euro per ton in WLO-scenario Hoog. Maar in het tweegradenscenario wordt dit al gauw 100 euro per ton, en dubbel zoveel in 2050. Hoe vertaal je dat naar veenbodememissies? Betekent dit dat de grondgebruiker of waterbeheerder in de toekomst voor die emissie moet betalen, net als een industriële gebruiker van fossiele brandstoffen? Of is dit een eeuwenoud verworven emissierecht, en wordt de boer of het waterschap gecompenseerd voor het verminderen van de CO2-uitstoot? Let wel, het gaat dan misschien om 500 miljoen euro per jaar, voor heel Nederland.

Meer dan energietransitie

Met alleen energiebesparing, warmte- en koudeopslag en enkele duurzame energiebronnen redden we het klimaat niet. Al die kleine en grote stappen kunnen bijdragen, maar er is meer nodig, en het mag wel snel gebeuren ook. De waterbeheerder heeft een zeer groot belang bij beperking van de klimaatverandering, en kan daar gelukkig ook veel aan bijdragen, zelfs een voorbeeld geven. Dat vereist wel een zeer actieve houding, en enig vooruitkijken en vooroplopen. Het is niet voldoende om de zaak volgens de normen op orde te houden. De waterbeheerder kan het voortouw nemen bij een andere stedelijke inrichting en locatiekeuze (niet meer bouwen in de polder?), ander vervoer met en over water, ander grondgebruik en peilbeheer (omschakeling naar duurzame landbouw en natuur); en in de eerste plaats het tegengaan van veenbodemdaling. Vanuit governance-perspectief is dat misschien lastig, want je komt op het terrein van anderen: gemeenten, provincies, vervoerders, voedselproducenten. En je kunt je niet beperken tot enkele bekende kerntaken als waterkeren, peil handhaven en waterzuiveren. Dit is integraal waterbeheer in de volle breedte, en dat vraagt om nog meer samenwerking en mogelijk veranderingen in provinciaal en nationaal beleid en financiering.

Klimaatverandering en waterbeheer: wie belang heeft, mag er ook wat tegenoverstellen en het initiatief nemen.

Noten
1 Verkenning actualiteit Deltascenario’s. W. Bruggeman, J. Kwadijk, B. van den Hurk, J. Beersma, R. van Dorland, G.J. van den Born, en J. Matthijsen. Deltares, KNMI, PBL, 2016. https://www.deltares.nl/app/uploads/2016/09/20160906-verkenning-houdbaarheid-deltascenarios-incl-bijlagen.pdf

2 Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving, Cahier Klimaat en energie. J. Matthijsen, R. Aalbers en R. van den Wijngaard, PBL, CPB, Den Haag, 2015. http://www.wlo2015.nl

3 http://www.un.org/sustainabledevelopment/sustainabledevelopment-goals/

4 Klimaatverandering en de functies van het landelijk gebied. LNV Agenda Klimaat. A. Dolman, P. Kabat, E. van Ierland en R. Hutjes. Alterra rapport 082, Wageningen, 2000. http://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/fulltext/42600

5 Double Trouble: subsidence and CO2 respiration due to 1,000-years of Dutch coastal peatland cultivation. G. Erkens, M. van der Meulen en H. Middelkoop. Hydrogeology Journal, 2016 http://link.springer.com/article/10.1007/s10040-016-1380-4

Links- of rechtsom, het peil moet omhoog

Bron:    Na aandringen toch nog gekregen van Gemeente Zederik
Zie ook: Watersysteemanalyse uit 2012 en Lingepand 14 uit 2007
Update:  Streefpeilenplan Lingesysteem
Aanleiding

In onderstaand rapport staat de aanleiding voor peilmaatregelen in paragraaf 5.3.1 Aanleiding (peil)maatregel op bladzijde 16:

De belangrijkste knelpunten voor de aanwezige natuur zijn verdroging, gebrek aan een natuurlijke dynamiek van de Linge en te weinig inundaties.

Vanuit de natuurdoelen zou de meest ideale situatie een (meer) flexibel peilbeheer zijn, met langdurig (één of meer maanden) hoge(re) peilen in de wintermaanden en uitzakkende peilen in de zomermaanden met een peilverschil van minimaal 30 cm

Volgens ons en het Zuid-Hollands Landschap valt het met de verdroging en de natuurlijke dynamiek wel mee. We hebben meer dan eens de Zouwenkade zien overstromen.

De volgende alinea’s zijn de mening van alleen de buurtvereniging en niet van het ZHL.

Het echte knelpunt waardoor verlanding ontstaat is achterstalling onderhoud. Verhoogt waterschap Rivierenland het peil is dat alleen maar uitstel van verdere verdroging, overlast en schade voor de omwonenden en voor ons culturele erfgoed.

Het huidige maximaal toelaatbare niveau op het Merwedekanaal (zie paragraaf 2.4.2 Waterafvoer op blz. 6) van 1.26 cm + NAP is hoger dan menig plek in de afgekeurde regionale waterkeringen rondom Natura 2000 gebied Zouweboezem.

Download the PDF file Optimalisatiepeil.

Vraag over het peil aan Waterschap Rivierenland

Bron: Buurtvereniging@Zouweboezem
Waterpeil in de Oude Zederik week 33 2016

Goede dag,

Ik ben zo onderhand wel zeer nieuwsgierig, wat de reden is dat het peil in de Oude Zederik en dus ook het Merwedekanaal al zo'n twee maanden 11 cm hoger staat dan het praktijk peil, (praktijk peil is ongeveer 85 cm +NAP) en zo'n 16 cm hoger dan het streefpeil (het streefpeil is 80 cm +NAP) en dit wordt vrij strak gehandhaafd, want de afgelopen maand en de maand ervoor ligt het gemiddelde op 91 cm +NAP.

Dus ik ben zeer benieuwd wat de aanleiding is voor dit hoge peil.

mvg,

Een lid van Buurtvereniging Zouweboezem
Sluis (Ameide)

Waterpeil in de Oude Zederik juni 2016
Waterpeil in de Oude Zederik juli 2016

Antwoord van Waterschap Rivierenland

Geacht lid van de Buurtvereniging,

Momenteel proberen wij een peil van 0.90 Nap te handhaven, dit heeft te maken met de vraag naar water van de Tielerwaard, Culemborgerwaard, Vijfheerenlanden en Alblasserwaard. Doordat de grote rivieren weer lagere waterstanden hebben en de (gewas)-verdamping in deze  periode groot is proberen wij binnen de marges het peil zo optimaal mogelijk te benutten.

Peilvak 14 is het grootste Linge peilvak (1500  hectaren nat oppervlak) wat moet gevoed worden vanuit het Pannerdensch kanaal, Neder-rijn, Amstedamrijnkanaal of de Merwede, er worden zorgvuldig besluiten genomen en afwegingen gemaakt voor instellen van de peilen. 

Met vriendelijke groet,

CRK operator
Team Peil-, Dijk-, En Vaarwegbeheer
Afdeling Beheer en Onderhoud