Het bezoek van het ZHL op dinsdag 27 januari

Het bezoek brengt aan het licht dat het ZHL het peil graag omhoog wil, maar op een ander tijdstip. Namelijk nadat het riet is gemaaid en in het broedseizoen van de purperreiger. Als het rietland onder water staat dan zal dit de vossen ervan weerhouden om naar de nesten van de reigers te gaan om daar prooi te vangen.

Normaal hebben purperreigers een nest van enkele tientallen cm hoog tussen rietstengels gebouwd, hoog genoeg om geen last te hebben van een peil dat het rietveld onder water zet.  Maar omdat roofdieren zoals de vos bij de gemiddelde waterstand over de rietvelden kunnen lopen en de nesten kunnen plunderen zijn de reigers uit noodzaak, in de bomen nesten gaan bouwen.

Page_05
Nieuw riet en dotterbloemen op geplagde grond

De rapporten en de visies van diverse instanties zijn aardig verschillend:

Terwijl in één rapport staat: om het peil in oktober door natuurlijk verloop (regenwater dat niet wordt weg gemalen) te laten stijgen en pas in het voorjaar te laten zakken tot het gemiddelde peil.

Zegt de ander: omhoog vanaf de maaitijd tot eind van het broedseizoen.

Dit zijn dus al twee verschillende visie’s over het peil, wat niet wegneemt dat in alle gevallen het water voor een bepaalde tijd op 110 cm + NAP komt te staan, wat voor ons veel te hoog is.

Mijn vraag aan het ZHL: als over een aantal jaren het wortel pakket weer dikker is geworden dan zal die 110 cm + NAP niet meer voldoende zijn om het riet onder water te kunnen zetten, en dat we dan weer het zelfde probleem hebben.

Antwoord van het ZHL: Dat is inderdaad zo, en dat er dan toch afgeplagd moet gaan worden.

Mijn idee:  Is een optie waar ik nog geen van de tegenpartijen over heb gehoord, zij onderzoeken opties die vreselijk veel geld kosten of die bijna niet uitvoerbaar zijn. Een andere oplossing zou kunnen zijn, sowieso het riet afplaggen.

Net voor aanvang van het maaiseizoen, het peil verlagen, dit kan door de sluisdeuren in meerkerk dicht te zetten (ze staan in ieder geval al de goede kant op) en na het maaien, kan het peil weer omhoog zodat het riet weer onder water staat.

Is nog een veel goedkopere oplossing ook, want afplaggen moet  toch gebeuren, is het niet nu dan over een paar jaar. Het geld voor de bouw van een stuw kun je dan gebruiken om de sluisdeuren te restaureren zodat ze beter sluiten.

Ik vind een stuw ook helemaal niet in het cultuur historisch landschap van de Oude Zederik passen, en het gebied blijft één geheel van Meerkerk tot Sluis.

En de Oude Zederik blijft het grootste deel van het jaar toegankelijk voor kleine vaartuigen, van het Merwedekanaal tot Sluis. Zodat het gebied toegankelijk blijft (één van de voorwaarden van een Natura 2000 gebied) voor het publiek.

Wateroverlast Kooihuis

De overlast die ik ga ondervinden bij de voorgestelde peilverhoging: De kelder komt minimaal 10 cm blank te staan. Elektrische apparatuur, zoals koelkast-vrieskist komen in het water, alle daar verder opgeslagen zaken zullen direkt waterschade onder vinden. Daarbij heeft deze woning houten vloeren die door het vocht zullen worden aangetast en het vocht zal verder in de muren trekken en ook door de vloer in huis terecht komen, wat onze gezondheid niet ten goede komt.

Wateroverlast Zouwendijk 2

Zouwendijk 2 in Sluis, is een dienstwoning geweest van het Zuid-Hollands Landschap, voor de beheerder van de eendenkooi De Zouwe. Het bestaat eigenlijk uit twee woningen, het kleine huisje aan de linker zijde op de foto dit is gebouwd in 1905, later is de rechtse woning met kelder tegenaan gebouwd in 1915, al met al zo’n 100 jaar oud.

zouwendijk 2-1982 001

Peil Zouweboezem in streefpeilbesluit Linge

Bron: Waterschap Rivierenland
Update: Nieuw streefpeilenplan Linge

LingePand14

Kenmerken gebied

Lingepand 14 is het meest benedenstrooms gelegen pand. De Linge volgt tot aan Gorinchem haar natuurlijke loop en langs de Linge zijn uiterwaarden aanwezig die onder invloed staan van het peil dat in pand 14 is opgelegd. Vanaf Gorinchem stroomt de Linge via het Kanaal van Steenenhoek verder, waar het vervolgens bij Hardinxveld via het Kolffgemaal uit komt in de Boven Merwede. Het Kolffgemaal heeft een capaciteit van 60 m³/s, hiervan wordt 15 m³/s bepaald door de afvoer voor Vijfheerenlanden (via het Merwedekanaal). In droge perioden kan het Kolffgemaal tevens water inlaten.

Langs de Linge zijn enkele aanliggende gronden aanwezig die onder invloed staan van het peil dat in pand 14 is opgelegd. De functie natuur speelt in dit pand een belangrijke rol in het gebruik van de uiterwaardgronden. Het gebruik van de overige gronden is met name agrarisch en recreatief van aard. Ook een deel van de bebouwing van Geldermalsen, Leerdam en Gorinchem staan onder invloed van het peil dat in pand 14 wordt opgelegd. Nabij Leerdam en Kedichem maakt het pand deel uit van een VHR-gebied. Bij Leerdam is eveneens een ecologische verbindingszone aangewezen.

Vastgestelde peilen

Zomerpeil:          0,80 m
Winterpeil:          0,80 m

Praktijk peilen (behoudens extremen)

Maximaal:           0,90 m
Minimaal:            0,80 m

Het maximaal gehanteerde peil is hoger dan het vastgestelde peil, omdat vanuit de landbouw meer aanvoer gevraagd wordt.

Gewenst vanuit afvoer en aanvoer

Peil ten tijde van aanvoer:          verhoging van het huidige peil
Peil ten tijde van afvoer:             handhaving van het huidige peil

Gewenst vanuit natuur/kwaliteit

Het beleid ten aanzien van natuur staat voor het tegengaan van verdere verdroging. Verlaging van de peilen is daarmee vanuit natuur niet gewenst. Het is wenselijk (onder andere van uit de VHR) een natuurlijke dynamiek te handhaven.

Vanuit de VHR moet het beheer zich richten op de bescherming van vogels en de instandhouding van de natuurlijke habitats en wilde flora en fauna. De genoemde richtlijnen hebben betrekking op de gebieden Diefdijk-Zuid en Zuider Lingedijk. Hier worden onder andere de kamsalamander, bittervoorn, kleine en grote modderkruiper aangetroffen.

Gewenst vanuit landbouw/bebouwing

De gemiddelde maaiveldhoogte van landbouwgebieden bedraagt circa NAP +2,70 m, de drooglegging is circa 2,00 m. Gezien de grote drooglegging is een peilverhoging wenselijk. Het theoretisch maximale peil dat met waternood is bepaald, bedraagt echter NAP +0,85 m. Hieruit blijkt dat een peilverhoging niet wenselijk is. Voor de bebouwing is de drooglegging voldoende. Op enkele plaatsen ligt de bebouwing echter dicht bij de Linge. Hier is de drooglegging beperkt.

Gewenst vanuit scheepvaart/recreatie

Indien het peil in de Boven Merwede lager is dan NAP +0,75 m is in de Linge geen scheepvaart meer mogelijk. Het Kolffgemaal bij Hardinxveld kan water inlaten, inpompen, uitmalen en spuien. Bij een peil hoger dan NAP +1,2 m bij Asperen (benedenstrooms van de Julianastuw) is scheepvaart ook niet meer mogelijk. Ten behoeve van de doorvaarbaarheid is een peilverlaging niet wenselijk.

De inrichting en oeverbeschoeiing langs het meest benedenstrooms gelegen pand is gesteld op een hoogte van NAP +1,05 m. Dit is gebaseerd op een peil van NAP +0,80 m en een toegestane vaarsnelheid van 7,5 km/uur (voor recreatie- en beroepsscheepvaart), hierbij treedt een golfslag van 25 cm op. Bij verhoging van het peil (bij de huidige toegestane vaarsnelheid) kunnen de oevers beschadigd raken als gevolg van golfslag. Een verlaging van de vaarsnelheid kan dit eventueel voorkomen. Een verlaging van circa 7,5 km/uur naar 6 km/uur betekent een vermindering van de golfslag met circa 20 cm. Voor de scheepvaart is een peilverhoging niet wenselijk. Dit geldt met name in de zomer en het najaar wanneer sprake is van relatief veel recreatievaart.

Lingepand 14 heeft een zeer belangrijke bergingsfunctie, die niet aangetast mag worden door een eventuele peilverhoging. Vanuit de berging is het daarom niet wenselijk het peil te verhogen.

Peilafweging

Er zijn in dit pand diverse aspecten die een peilverandering onwenselijk maken. Zo is vanuit de bergingsfunctie en een deel van de woningbouw een peilverhoging onwenselijk. Een peilverlaging levert problemen op voor de scheepvaart en is niet wenselijk vanuit natuur en de landbouw.

Voorgesteld wordt het huidige peil te handhaven, met als aanvulling een marge van 10 cm naar boven in het voorjaar. Dit betekent niet een volledig ‘natuurlijk’ peilbeheer, maar wel een hoger peil in het voorjaar. Met name dit laatste is vanuit ecologisch oogpunt belangrijk. De restrictie is dat er geen sprake is van extreme neerslag in het vooruitzicht of dat er sprake is van een zeer natte periode. In dit geval zal hier op geanticipeerd worden door het peil in te stellen op het streefpeil van +0,80 m, zodat de berging maximaal is. In feite wordt met dit voorstel de huidige situatie geformaliseerd.

Opmerkingen

  • Het streefpeilbesluit dat voor de Linge wordt opgesteld is van een andere aard dan de peilbesluiten die doorgaans worden Voor poldergebieden vormt bijvoorbeeld de drooglegging van landbouwgronden die bediend worden door het oppervlaktewater een belangrijke peiler voor het peilbesluit. Voor de Linge is drooglegging niet van primair belang, maar ligt de nadruk op de waterloop zelf. De aan- en afvoer van water zijn de belangrijkste functies van de Linge. Dit is van invloed op de peilafweging
  • Aanvoerpeil ligt tussen van NAP +0,80 en +0,90 Tussen deze grenzen is er in principe altijd voldoende aanvoer van water mogelijk. Bij extreme watervraag kan peil worden opgezet tot het maximum
  • Voor het afvoerpeil wordt het huidige winterpeil De bergingscapaciteit blijft daarmee behouden
  • Gezien de lengte van pand 14, is er sprake van een bepaald peilverloop in het Het verloop van het peil is sterk afhankelijk van de situatie. Indien er geen afvoer plaatsvindt, is er in het pand geen verloop in het peil. Bij een (normale) afvoersituatie treden globaal de volgende peilen op:
    – NAP +0,70 m bij Hardinxveld
    – NAP +0,80 m bij Gorinchem
    – NAP +0,90 m bij Geldermalsen
    Deze peilen gelden alleen tijdens afvoer (spuien en/of pompen).
  • De natuurlijke dynamiek die wordt ingebracht met de tijdelijke verhoging in het voorjaar, komt ten goede aan de VHR-gebieden en ecologische Verdere verbetering van deze gebieden en kan bijvoorbeeld bereikt worden met inrichtingsmaatregelen (aanleg natuurvriendelijke oevers). Waar mogelijk wordt dit in diverse projecten meegenomen
  • Voor het Kanaal van Steenenhoek is een maximum peil van NAP +2,44 m Rekening houdend met de voorgestelde marges rond de aanvoer- en afvoerpeilen, zal dit peil (buiten mogelijke extreme omstandigheden) niet overschreden worden
  • Een verlaging van het peil kan ongunstig zijn voor archeologische en cultuurhistorische waarden. In pand 14 worden de huidige praktijkpeilen niet gewijzigd en door de peilen strikter te handhaven, zal over het algemeen de peilafwijking en dan met name het uitzakken van de peilen minder aan de orde zijn. Hierdoor zal de situatie niet verslechteren voor archeologische en cultuurhistorische waarden

Stuwpeilen en verhang

De genoemde streefpeilen gelden als gemiddelde peilen in het midden van het pand in een afvoer- of aanvoersituatie. Als gevolg van natuurlijk verhang binnen een Lingepand zal de waterstand bovenstrooms in het pand hoger en benedenstrooms bij de stuw lager zijn dan het gestelde streefpeil. Uit de huidige meetgegevens blijkt dat het verhang binnen de panden over het algemeen varieert tussen 0 en 10 cm.

Bij pand 14 zal het peilverloop binnen het pand anders zijn dan bij de andere panden. Bij een wateraanvoersituatie wordt de hoeveelheid in te laten water er op gestuurd dat er geen water meer over de laatste stuw wegstroomt. Dit betekent voor pand 14 dat er geen water wordt uitgelaten. Het peil is dan in het hele pand gelijk, er is geen verhang in deze situatie. Bij een waterafvoersituatie is er wel sprake van een verhang. Door de lengte van het pand is het peilverschil tussen bovenstrooms en benedenstrooms groter dan bij de andere panden. In een normale afvoersituatie bedraagt dit peil ongeveer 20 cm. Dit betekent dat het benedenstroomse peil 10 cm onder streefpeil (NAP +0,70 m) ligt en het bovenstroomse peil 10 cm boven streefpeil (NAP +0,90 m).

In de huidige situatie worden bij een peil van NAP +13 m of hoger bij Lobith de stuwen Krakkedel, Karbruggen, Kraaienstraat en Rijksweg op zomerpeil gezet in verband met het tegengaan van kwel. Voorgesteld wordt deze maatregel te handhaven bij het nieuwe streefpeilbesluit en bij het genoemde peil bij Lobith de stuwen op aanvoerpeil in te stellen.

Analyse peilen

  • Oppervlakte pand 14 is 1500 ha
  • Gemiddelde maaiveldhoogte is NAP +2,60 m
  • Percentage landbouw/fruitteelt is 30% / 9%
  • Maaiveldhoogte landbouw: NAP +2,70 m
  • Percentage bebouwd gebied is 16%
  • Maaiveldhoogte bebouwd gebied: NAP +4,45 m
  • Percentage bos en natuur is 23%
  • Maaiveldhoogte bos en natuur: NAP +1,37 m
  • Hoogte oever pand 14 is NAP +1 à 2 m

Opmerkingen van de Buurtvereniging

Terugblik 2012

Reservaat Zouweboezem,
peilgebied Boezem Vijfherenlanden

Bron: Waterschap Rivierenland

PeilbesluitVijfheerenlanden
Peilbesluit Vijfheerenlanden

Notitie: Wensen ZHL
t.a.v. peilen 2012
Datum: Januari 2012
Opgesteld door:
Warner Reinink
i.s.m. Rene Garskamp
Bedoeld voor:
Waterschap Rivierenland

In deze notitie zijn de wensen van het Zuid-Hollands Landschap weergegeven t.a.v. de peilen in de reservaten van het Zuid-Hollands Landschap in de regio Vijfheerenlanden. Per reservaat is de huidige en gewenste situatie weergegeven en een motivatie waarin duidelijk wordt gemaakt waarom het gewenste peil belangrijk is.

Huidige situatie

Min. peil: 0,85
Max. peil: 1,20

 

Dit reservaat kent geen eigen waterpeil en maakt deel uit van een groter peilgebied. Er is een rechtstreekse verbinding met het Merwedekanaal. Buiten het ZHL om is het waterpeil gewijzigd in een nog ongunstiger peil van slechts 0,80 +NAP.

PeilbesluitAlblasserwaard
Peilbesluit Alblasserwaard
Algemeen

De Zouweboezem is een zeer belangrijk reservaat van het Zuid-Hollands Landschap in de Vijfheerenlanden. Het gebied is vooral bekend vanwege zijn moerasvogels waaronder de grootste kolonie purperreigers van Noord/west Europa. De hoge natuurwaarden van het gebied hebben er toe geleid dat het gebied is aangewezen beschermd natuurgebied van internationaal belang, de Natura 2000 status. Tevens is de Zouweboezem vanuit de Provincie aangewezen als TOP-gebied en Waterparel (Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015). Het belang van het gebied wordt dus op diverse niveaus en vanuit diverse disciplines onderkend. Ook het naastgelegen reservaat Achthoven is in het N2000 gebied opgenomen. Belangrijkste waarden in dit deel worden gevormd door het aanwezige blauwgrasland.

Echter; De afgelopen jaren is in de Zouweboezem het meest cruciale onderdeel van het systeem gewijzigd, het waterpeil is flink lager geworden dan voorheen. Het gevolg is dat het gebied verdroogd en verruigd en dat een aantal beschermde en bedreigde soorten achteruit gaat of zelfs als broedvogel uit het gebied zijn verdwenen! Gezien de doelstellingen, de beschermde status van het gebied en de beschermde status van de bijbehorende soorten zal er dus actie ondernomen moeten worden.

Overzicht ontwikkelingen recente verleden
  • Oude peilbesluit: laag peil: 0,85 + NAP, hoog peil: 1,20 +
  • Enkele jaren terug is het peilgebied gekoppeld aan het Merwedekanaal en het peilbesluit teruggebracht tot een vast peil van 80 + Het Zuid-Hollands Landschap is hier niet van op de hoogte gesteld, ook is deze besluitvorming. Uiteindelijk komt het Zuid-Hollands Landschap hiervan pas in het voorjaar van 2011 op de hoogte doordat ze een gesprek heeft aangevraagd met het Waterschap.
  • In de praktijk is de waterstand vaak nog lager dan 80 +
  • In Meerkerk wordt de sluis die de Zouweboezem met het Merwedekanaal verbindt teruggebracht tot 1 Deze sluisdeuren zijn middels een ruime ketting met elkaar verbonden zodat ze met laag water op het Merwedekanaal de boezem afwateren, maar met hoog water op het Merwedekanaal, sluiten de deuren zich vanwege het drukverschil en profiteert de Zouweboezem niet mee. De Zouweboezem verdroogt.
  • 2007-2010: In samenspraak met het Waterschap wordt er met Europese gelden een omvangrijk herstelproject uitgevoerd in de Zouweboezem ter verbetering van het Een onderdeel is het afplaggen van rietlanden en het verwijderen van bos, ter verbetering van de rietkwaliteit. Voorwaarde voor een goede ontwikkeling is een juist peilbeheer.
  • 2008-2011 Effecten verslechterd waterbeheer worden zichtbaar in het gebied:
    • Kwaliteit en dichtheid riet gaat achteruit, dit wordt onder andere duidelijk doordat de rietmaaiers in het gebied jaarlijks snel minder bossen oogsten van hetzelfde oppervlak.
    • Rietland verruigt en de houtopslag neemt toe
    • Ook het oppervlakte riet neemt In januari 2012 meldt een van de rietsnijders dat de grens van zijn jaarlijks gemaaid rietperceel de afgelopen paar jaar met 60 meter is teruggedrongen ten gunste van ruigte.
    • De purperreigers zijn als bodembroeder vrijwel verdwenen en zijn noodgedwongen in struiken en bomen gaan nestelen, het aantal is achteruit gegaan.
    • De roerdomp is inmiddels verdwenen als broedvogel.
    • Op de hooilanden doet haakveenmos zijn intrede, hetgeen duidt op verzuring doordat de percelen teveel van het oppervlaktewater zijn De bijzondere vegetatie die gebaat is bij inundatie van meer basenrijk water neemt hierdoor af.
  • Voorjaar 2011; tijdens een overleg tussen het Waterschap en het Zuid- Hollands Landschap wordt afgesproken de geconstateerde problemen op te pakken met het opstarten van het nieuwe peilbesluit Vijfheerenlanden en het opstellen van het N2000-beheerplan Zouweboezem.

Conclusie: Het huidige peilbeheer in de Zouweboezem is dusdanig slecht geworden dat de kwaliteit van het gebied hard achteruitgaat. Ondanks het feit dat het gaat om een gebied van internationaal belang, hetgeen terug te zien is in verschillende beleidsstukken, plannen e.d. en het voorkomen van allerlei beschermde soorten, is het peilbeheer tot nog toe alleen maar ongunstiger geworden. Verbeteren van het peilbeheer is van cruciaal belang en moet op zo kort mogelijke termijn opgepakt worden.

Ideaalbeeld

Het peil in een ecologisch gezond moerassysteem zou de fluctuatie van het neerslagoverschot moeten volgen. Dus in de loop van de winter een steeds verder oplopend peil, waardoor in het voorjaar grote delen van het gebied geïnundeerd zijn. In de loop van het groeiseizoen neemt de verdamping toe, waardoor het waterpeil daalt, gronden droogvallen en zuurstof opnemen. Dit is een ideale situatie voor de ontwikkeling van helofytenvegetaties. Het mag duidelijk zijn dat dit in de Zouweboezem niet reëel is. Wel is het van belang het peilbeheer zo veel mogelijk op het natuurlijke model te laten lijken.

Terugblik 2011

Moerasontwikkeling Zouweboezem

Bron: Stichting Het Zuid-Hollands Landschap

Laymans-report-Zouweboezem_nl_Page_01
Purperreiger (Ardea purpurea). Bron: Stichting Het Zuid-Hollands Landschap (Diny Buisman)
Introductie

De Zouweboezem (258 ha) is een waardevol moerasgebied in de provincie Zuid-Holland. Het gebied is grotendeels eigendom van Stichting Het Zuid-Hollands Landschap en ligt in de gemeente Zederik. Het terrein bestaat voornamelijk uit rietvelden, waarvan een gedeelte jaarlijks in de winter gemaaid wordt en een gedeelte het karakter van overjarig rietland heeft. Er zijn veel watergangen aanwezig en verspreid in het gebied komen bosschages voor. Het gebied heeft met name een hoge waarde voor moerasvogels, waaronder de purperreiger, roerdomp, bruine kiekendief, porseleinhoen, zwarte stern, blauwborst en krakeend.

De Zouweboezem is één van de 166 Natura 2000-gebieden in Nederland. Deze Natura 2000-gebieden maken deel uit van een Europees samenhangend netwerk van natuurgebieden. Deze gebieden komen voort uit de Europese Vogelen Habitatrichtlijn. Door de aanwijzing van de Zouweboezem wordt het gebied, en daarmee de bijzondere flora en fauna, beschermd. Door de aanwezigheid van de purperreiger is De Zouweboezem aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Europese Vogelrichtlijn. Op grond van het voorkomen van de kamsalamander en de vissoorten grote en kleine modderkruiper en bittervoorn is het gebied aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Voor de grote modderkruiper is De Zouweboezem het belangrijkste leefgebied van Nederland. Vanwege de hoge natuurwaarden maakt het gebied ook deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur, zowel op landelijk als provinciaal niveau.

De hoge natuurwaarden van de Zouweboezem worden bedreigd door verdroging en verlanding van het gebied. Waterriet en drijvende kraggen maken plaats voor rietlanden met vaste bodem en bosopslag. Bovendien slibben de watergangen steeds verder dicht, waardoor de watervoerendheid en de waterkwaliteit afneemt. Hierdoor nemen de broedmogelijkheden voor onder andere de purperreiger af en verslechteren eveneens de leefomstandigheden voor de (vis)soorten, waarvoor het leefgebied wordt beschermd.

Om de actuele hoge waarden te behouden en waar mogelijk te versterken zijn door het Zuid-Hollands Landschap verschillende maatregelen uitgevoerd. Voor het uitvoeren van deze maatregelen heeft het Zuid-Hollands Landschap onder andere LIFE-subsidie aangevraagd en ontvangen van de Europese Unie. LIFE is het financiële instrument van de EU om natuurbeschermingsprojecten mee te ondersteunen. Daarnaast hebben een bijdrage van Vogelbescherming Nederland, de Nationale Postcode Loterij, een subsidie vanuit het voormalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en nog een subsidie van de Provincie Zuid-Holland de uitvoering van het project mogelijk gemaakt.

Naar betere leefomstandigheden voor de dieren van de Zouweboezem

Het hoofddoel van het uitvoeren van maatregelen voor het Moerasgebied De Zouweboezem is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de hoge natuurwaarden van het gebied, waardoor een toename in broedparen moerasvogels te zien is (met name purperreiger, roerdomp, blauwborst en porseleinhoen) en de populatie grote en kleine modderkruiper zich kan uitbreiden.

Laymans-report-Zouweboezem_nl_Page_02
Begrenzing projectgebied Zouweboezem
Uitvoeringsplan

Via een uitvoeringsplan zijn de benodigde werkzaamheden inzichtelijk gemaakt. Als voorbereiding op de uitvoeringswerkzaamheden is een uitvoeringsplan en bestek opgesteld. Via het uitvoeringsplan zijn de benodigde maatregelen afgewogen en onderzocht op haalbaarheid en zijn de nodige vergunningen aangevraagd. Tijdens informatiebijeenkomsten is met omwonenden van het gebied van gedachten gewisseld over de plannen. Aan de hand van deze informatieavonden is bijvoorbeeld besloten dat de maatregelen ten behoeve van een meer natuurlijk waterpeil geschrapt worden uit het uitvoeringsplan.

Inrichtingsmaatregelen Zouweboezem

Na het afronden van het uitvoeringsplan en bestek heeft het Zuid-Hollands Landschap de uitvoering van de werkzaamheden aanbesteed. De werkzaamheden zijn gericht op het verbeteren van de leefomstandigheden van de verschillende aanwezige dieren. Dat betekent voor de verschillende watervogels in het gebied dat er meer en betere broedgebieden en foerageergebieden zijn gerealiseerd. Naast maatregelen die speciaal voor moerasvogels zijn uitgevoerd, zijn voor de vissen en amfi tevens verschillende (kleinschalige) maatregelen getroffen.

Terugzetten successie in verruigde overjarige rietlanden

In verschillende delen van het gebied kwamen verruigde rietlanden voor, die niet optimaal geschikt zijn als broedbiotoop voor broedvogels. De verruiging wordt veroorzaakt door een in principe natuurlijk proces: jaarlijks vallen de bladeren van het riet en overige planten op de bodem waardoor de bodem langzaam ophoogt, met verdroging van de rietlanden tot gevolg. In ene verdroogd rietland komen sneller jonge boompjes op en komt er in het rietland naast het riet een steeds groter aandeel aan allerlei kruidachtige planten. Moerasvogels broeden bij voorkeur in dichte rietlanden waar de vogels tussen de dicht op elkaar staande stengels goed een nest kunnen bouwen en beschutting kunnen vinden. Het terugzetten van de successie is nodig om hiervoor weer een goede uitgangssituatie te creëren. Om dit te bereiken is de bovenlaag van deze percelen afgegraven worden tot ca. 0,75 m +NAP, net onder het gemiddelde waterpeil. Uiteindelijk is in het zuidelijk deel van het moerasgebied 3 hectare grond afgegraven en in het noordelijk deel nog eens 1 hectare. Uit volgende afbeelding blijkt dat al snel na het afplaggen van de grond weer nieuw riet begint te groeien.

Toename van overjarige rietlanden

Naast dat bestaande overjarige rietlanden een kwaliteitsimpuls hebben gekregen, is ook het areaal aan overjarig rietland uitgebreid. Een deel van het aanwezige moerasbos is hiervoor verwijderd. De bodem is verlaagd tot net onder het gemiddelde waterpeil waardoor nat rietland zicht kan gaan ontwikkelen. De uitbreiding van het overjarig rietland betekent een groter potentieel broedbiotoop voor allerlei moerasvogels. Maar niet alleen door machinale ingrepen is getracht extra overjarig rietland te creëren, ook aanpassing van het beheer kan hieraan bijdragen.

Een deel van het gebied met riet wordt jaarlijks gemaaid, zogenaamd cultuurriet, waardoor deze delen nauwelijks van waarde zijn als broedbiotoop voor moerasvogels. Op plekken waar jaarlijks riet gemaaid wordt staan de jonge stengels riet in het voorjaar, wanneer de moerasvogels nestelplaatsen zoeken, nog zo laag dat deze plekken door de vogels niet worden gebruikt. Het areaal aan cultuurriet kan worden verlaagd door een minder groot gebied jaarlijks te maaien, wat een uitbreiding van overjarig rietland tot gevolg heeft. De komende jaren zal er naar toe worden gewerkt dat de 18 hectare jaarlijks gemaaid riet terug wordt gebracht tot ca. 8 hectare. Helemaal afschaffen van het jaarlijkse maaien is niet gewenst omdat jaarlijks gemaaide rietlanden passen in de cultuurhistorie van het gebied.

Page_05
Nieuw riet en dotterbloemen op geplagde grond
Verflauwing oevers, aanleg visbaaien, vergroten randlengte rietland-water

Verspreid langs verschillende watergangen zijn oevers afgevlakt en zijn kleine inhammen gegraven. Deze inhammen zijn ondiep waardoor het water snel opwarmt en kunnen functioneren als visbaai waar jonge vis goed kan opgroeien. Ook zijn er op een aantal plekken diepe viskuilen aangelegd waar vis in strenge winters kan overleven.

Door de verflauwing van verschillende oevers is de overgang water – riet vergroot. Op deze plekken is het voor de grotere moerasvogels makkelijker om op jonge vis en amfibieën te jagen. Het creëren van visbaaien is dus niet alleen goed voor de vispopulatie in het gebied, maar komt het gehele ecosysteem ten goede door de aanvulling van het voedselaanbod.

Uitgevoerde baggerwerkzaamheden

Veel watergangen in het gebied zijn in de loop der tijd ondieper geworden door slib dat is neergedaald op de waterbodems. Bovendien is dit slib verrijkt met voedingsstoffen (fosfaat), waardoor de waterkwaliteit minder is. In het moerasgebied is zodoende 40.000 m3 slib uit verschillende watergangen gebaggerd en naar een baggerdepot afgevoerd net ten zuiden van de snelweg A27, een locatie die recent was aangekocht en waar nog geen natuurwaarden ontwikkeld waren. Nadat de bagger is ingedroogd wordt het baggerdepot zodanig ingericht dat er nieuwe natuur kan ontstaan.

Page_06
Visbaai Zouweboezem
Kleinschalige inrichtingsmaatregelen

In het noordelijk deel van het projectgebied gelegen deelgebied ‘De Boezem’ zijn kleinschalige inrichtingsmaatregelen uitgevoerd om het gebied aantrekkelijker te maken als foerageergebied voor moerasvogels en als leefgebied voor onder andere de kamsalamander. Er zijn drie poelen gegraven, sloten opgeschoond en slootkanten verflauwd. Door het aanbrengen van deze extra variatie in het gebied zullen amfibieën, denk hierbij aan de kamsalamander, en kleine zoogdieren in getal toenemen. dit heeft op zijn beurt weer een positief effect op het voedselaanbod voor de verschillende moerasvogels. Door deze maatregelen is het voormalige grasgebied dat een lage natuurwaarde kende omgevormd tot een belangrijk leefgebied voor verschillende dieren die in het moerasgebied leven.

Page_07
Realisatie van een poel in de Boezem door een hydraulische kraan (19 december 2008)
Wanneer zijn meetbare resultaten te verwachten

Vanuit haar beheerevaluatiesystematiek evalueert het Zuid-Hollands Landschap eens in de 6 jaar de voorgaande beheerperiode op basis van onder andere monitoringsgegevens. Op basis van de evaluatie wordt een nieuw beheerplan opgesteld. Voor de Zouweboezem staat dit voor 2012 in de planning. Dan zal een eerste, onderbouwde uitspraak over de resultaten van het project, lees ontwikkelingen in het gebied, gedaan worden.

Nu al zijn er enige ontwikkelingen zichtbaar: Op plekken waar rietland is afgeplagd komt er een goede ontwikkeling van vitaal rietland op gang. Daar waar bos is verwijderd en de ondergrond is verlaagd, duurt de ontwikkeling wat langer. De flauwere slootkanten begroeien goed met riet waardoor de maatregelen op verschillende plekken al het gewenste resultaat laten zien: met riet begroeide oevers waar moerasvogels goed kunnen foerageren. De ontwikkelingen lijken dus de goede kant op te gaan. Maar voor meetbare resultaten is het nog even afwachten tot de eerste monitoringsgegevens binnen zijn en geanalyseerd zijn.

Projectdetails Zouweboezem

Looptijd project: Van 1 september 2006 t/m 28 februari 2011
Totale projectbudget: € 1.653.290,-
Maximale bijdrage EC: € 622.658,-

Het bovenstaande geeft mogelijk aanleiding om de vraag te stellen of het nodig was om ruim anderhalf miljoen euro in het gebied te investeren. Het is moeilijk de kosten van dergelijke natuurprojecten af te zetten tegen wat het opbrengt. Want hoeveel is, in geld uitgedrukt, een vogelrijk natuurgebied waard. Het Zuid-Hollands Landschap meent dat iedere euro van dit project bijgedragen heeft aan het op den lange duur waardevol houden van de Zouweboezem voor moerasvogels. Als er niet nu, middels dit project ingegrepen zou zijn, dan waren de natuurwaarden op den duur dusdanig onder druk komen te staan dat er dan acute maatregelen genomen zouden moeten worden. Deze zouden dan nog omvangrijker zijn omdat het gebied dan in een nog verder gevorderd ontwikkelingsstadium zou zijn. Nu ingrijpen betekent het voor de natuur op tijd terugzetten van de successie tegen een relatief nog beperkt budget.
Dat het op het eerste gezicht toch een aanzienlijk bedrag gekost heeft is in Nederland bijna niet te voorkomen. De prijzen van uitbesteed werk liggen in Nederland op ongeveer het hoogste niveau van Europa. Daarbij komt dat het werk in de Zouweboezem vanwege de lage draagkracht van de moerasbodem speciale voorbereiding zoals het leggen van schotten vereisen waardoor het werk duurder is in de uitvoering dan graafwerkzaamheden op een draagkrachtige zandbodem. Door het werk middels openbare aanbesteding op de markt te brengen en met de aannemer over de aanneemsom te onderhandelen, kunnen de uitvoeringskosten zo laag als mogelijk beschouwd worden.

Informatie over het moerasgebied De Zouweboezem

Tijdens de uitvoering van het project is op verschillende manieren gecommuniceerd over de uit te voeren werkzaamheden en het gewenste resultaat. Tijdens de voorbereidingen van het project zijn belanghebbenden en andere geïnteresseerden geïnformeerd via voorlichtingsavonden. Tijdens deze avonden hebben de aanwezigen de mogelijkheid gekregen vragen te stellen en bedenkingen over het project te uiten. Tijdens de uitvoering van de verschillende werkzaamheden zijn de belanghebbenden geïnformeerd over het project door middel van informatiebrieven en een nieuwsbrief. Op verschillende momenten heeft de lokale pers bericht over de laatste nieuwtjes rondom de ontwikkeling van de Zouweboezem. Eind 2009 is er voor de belanghebbenden een informatiedag gehouden, waarop meerdere vaarexcursies zijn gehouden.

Bent u naar aanleiding van dit rapport nieuwsgierig geworden naar het gebied? Kijk dan eens op de website van Het Zuid-Hollands Landschap of op de website van de Zouweboezem. U kunt natuurlijk ook bellen:

Stichting Het Zuid-Hollands Landschap
Nesserdijk 368
3063 NE Rotterdam
Telefoon 010 272 22 22
www.zuidhollandslandschap.nl
www.zouweboezem.nl

Purperreigers in de Zouweboezem

Bron: Bureau Waardenburg bv

boezem

In 2002 is ecologisch onderzoek verricht naar de broedbiologie vanpurperreigers in de Zouweboezem langs de Lek bij Ameide (Zuid-Holland).

Samenvatting van de resultaten

Het onderzoeksgebied (De Boezem) is gelegen naast de Zouweboezem bij Ameide en is een voormalige bergpolder die afgegraven is en waar het waterpeil is opgezet. Het gebied is begroeid met mattenbies en andere helofyten en heeft een groot oppervlak aan plas-dras en ondiep open water. Purperreigers zijn de afgelopen decennia zeer sterk toegenomen in de Zouweboezem (inclusief De Boezem) tot 124 paar in 2002. Uit tellingen in het seizoen bleek dat gemiddeld 7 volwassen vogels gelijktijdig foerageerden in De Boezem (19 ha). De aantallen waren over de gehele dag hoog. In het begin van het seizoen foerageerden de vogels vooral in gemaaide mattenbiesvegetaties in ondiep plas dras land. In de loop van het seizen daalde de waterstand en groeiden de gemaaide gebieden weer dicht. De vogels foerageerden vervolgens meer langs randen van ondiepe sloten en plassen. De waarnemingen aan foeragerende reigers werden sterk bemoeilijkt door de dichte vegetatie. Van de weinige waargenomen prooien bleek een belangrijk deel te bestaan uit volwassen grote modderkruipers. Op gewichtsbasis werd dit aandeel geschat op 75%. Gemiddeld werd eens per drie kwartier een grote modderkruiper gevangen.

In foerageergebieden buiten De Boezem domineerden muizen in het voedselpakket. Dit werd bevestigd door de prooisamenstelling van braakballen en braaksels verzameld bij de nesten. Hierin domineerden eveneens kleine zoogdieren (62%) als prooi, met amfibieën (23%) en vis (15%) daarop volgend. De snelle en volledige vertering door reigers bemoeilijkte de prooiherkenning aanzienlijk en kan de gevonden prooisamenstelling sterk beïnvloed hebben ten gunste van het percentage zoogdieren. Tijdens de prooibemonsteringen in De Boezem, op locaties representatief voor foerageergebieden van purperreigers, bleken kleine en grote modderkruiper het meest talrijk. Op gewichtsbasis was de grote modderkruiper overduidelijk de belangrijkste vissoort. Het gebied bleek niet soortenrijk maar de soorten die er voorkwamen kwamen in hoge dichtheden voor in purperreigerhabitat. De eenmalige tellingen van jongen in de nesten duidde op een redelijk tot goed broedsucces en een goede conditie van de jongen.

De Boezem doet in abiotiek sterk denken aan een vloedvlakte van een rivier. In het voorjaar kent het een relatief hoge waterstand die in de loop van de zomer lager wordt. Bij een peil lager dan 50 cm –NAP wordt door het Hoogheemraadschap water ingelaten hetgeen in de regel in augustus het geval is. Een voordeel van deze beperkte waterinlaat is de semi natuurlijke waterhuishouding. Het systeem is geïsoleerd van het overige oppervlaktewater. Dit en de peilfluctuaties maken het gebied uniek voor pioniersoorten zoals de grote modderkruiper. Deze soort is gebaat bij weinig concurrentie met andere vissoorten en bij wateren met een venige bodem waar delen in voorkomen die zeer rijk aan waterplanten zijn waar ze zich kunnen voortplanten. De soort kan sterke opwarming of indroging doorstaan ten koste van andere vissoorten. Hoewel de soortenrijkdom in een dergelijk systeem niet hoog is, is juist de soortensamenstelling en dichtheid uniek. Elders zeldzame vissoorten zoals de grote modderkruiper kunnen hier zeer hoge dichtheden bereiken zodat ze zelfs geschikt worden als prooi voor reigerachtigen. Juist de pioniersituatie met bijbehorende vegetatie en fauna maakt het aantrekkelijk als foerageergebied voor purperreigers. Een nadeel van de jaarlijkse waterinlaat is instroom van gebiedsvreemd water waardoor de trofiegraad toeneemt. Tevens is het voor pioniersoorten beter om de waterpeilen nog natuurlijker te laten verlopen (opdroging) zodat pioniersoorten in het voordeel zijn ten opzichte van andere soorten. Het verdient dan ook aanbeveling om de waterpeilen in het gebied sterker te laten variëren.

Juist de natuurlijke dynamiek van het systeem en de isolatie ten opzicht van het oppervlaktewater maken het gebied uniek. In de meeste Nederlandse moerassystemen wordt het waterpeil tegennatuurlijk op een hoog zomerpeil en lager winterpeil gehouden. Bovendien wordt gebiedsvreemd water ingelaten en staan vrijwel alle open wateren met elkaar in verbinding. Dit heeft geleid tot een uniform type moeras waarin pioniersoorten vrijwel verdwenen zijn. Juist pioniersituaties kenmerken moerassen in natuurlijke systemen zoals vloedvlaktes en overstromingsgebieden. Dit is reeds uitvoerig beschreven voor vegetaties zoals krabbescheer en waterriet, maar geldt ook voor fauna zoals grote modderkruipers en amfibieën. Dit betekent dan ook dat in nieuwe gebieden en bestaande moerasgebieden bij de inrichting meer plaats moet zijn voor systemen met een (semi) natuurlijke dynamiek.