Peil Zouweboezem in streefpeilbesluit Linge

Bron: Waterschap Rivierenland
Update: Nieuw streefpeilenplan Linge

LingePand14

Kenmerken gebied

Lingepand 14 is het meest benedenstrooms gelegen pand. De Linge volgt tot aan Gorinchem haar natuurlijke loop en langs de Linge zijn uiterwaarden aanwezig die onder invloed staan van het peil dat in pand 14 is opgelegd. Vanaf Gorinchem stroomt de Linge via het Kanaal van Steenenhoek verder, waar het vervolgens bij Hardinxveld via het Kolffgemaal uit komt in de Boven Merwede. Het Kolffgemaal heeft een capaciteit van 60 m³/s, hiervan wordt 15 m³/s bepaald door de afvoer voor Vijfheerenlanden (via het Merwedekanaal). In droge perioden kan het Kolffgemaal tevens water inlaten.

Langs de Linge zijn enkele aanliggende gronden aanwezig die onder invloed staan van het peil dat in pand 14 is opgelegd. De functie natuur speelt in dit pand een belangrijke rol in het gebruik van de uiterwaardgronden. Het gebruik van de overige gronden is met name agrarisch en recreatief van aard. Ook een deel van de bebouwing van Geldermalsen, Leerdam en Gorinchem staan onder invloed van het peil dat in pand 14 wordt opgelegd. Nabij Leerdam en Kedichem maakt het pand deel uit van een VHR-gebied. Bij Leerdam is eveneens een ecologische verbindingszone aangewezen.

Vastgestelde peilen

Zomerpeil:          0,80 m
Winterpeil:          0,80 m

Praktijk peilen (behoudens extremen)

Maximaal:           0,90 m
Minimaal:            0,80 m

Het maximaal gehanteerde peil is hoger dan het vastgestelde peil, omdat vanuit de landbouw meer aanvoer gevraagd wordt.

Gewenst vanuit afvoer en aanvoer

Peil ten tijde van aanvoer:          verhoging van het huidige peil
Peil ten tijde van afvoer:             handhaving van het huidige peil

Gewenst vanuit natuur/kwaliteit

Het beleid ten aanzien van natuur staat voor het tegengaan van verdere verdroging. Verlaging van de peilen is daarmee vanuit natuur niet gewenst. Het is wenselijk (onder andere van uit de VHR) een natuurlijke dynamiek te handhaven.

Vanuit de VHR moet het beheer zich richten op de bescherming van vogels en de instandhouding van de natuurlijke habitats en wilde flora en fauna. De genoemde richtlijnen hebben betrekking op de gebieden Diefdijk-Zuid en Zuider Lingedijk. Hier worden onder andere de kamsalamander, bittervoorn, kleine en grote modderkruiper aangetroffen.

Gewenst vanuit landbouw/bebouwing

De gemiddelde maaiveldhoogte van landbouwgebieden bedraagt circa NAP +2,70 m, de drooglegging is circa 2,00 m. Gezien de grote drooglegging is een peilverhoging wenselijk. Het theoretisch maximale peil dat met waternood is bepaald, bedraagt echter NAP +0,85 m. Hieruit blijkt dat een peilverhoging niet wenselijk is. Voor de bebouwing is de drooglegging voldoende. Op enkele plaatsen ligt de bebouwing echter dicht bij de Linge. Hier is de drooglegging beperkt.

Gewenst vanuit scheepvaart/recreatie

Indien het peil in de Boven Merwede lager is dan NAP +0,75 m is in de Linge geen scheepvaart meer mogelijk. Het Kolffgemaal bij Hardinxveld kan water inlaten, inpompen, uitmalen en spuien. Bij een peil hoger dan NAP +1,2 m bij Asperen (benedenstrooms van de Julianastuw) is scheepvaart ook niet meer mogelijk. Ten behoeve van de doorvaarbaarheid is een peilverlaging niet wenselijk.

De inrichting en oeverbeschoeiing langs het meest benedenstrooms gelegen pand is gesteld op een hoogte van NAP +1,05 m. Dit is gebaseerd op een peil van NAP +0,80 m en een toegestane vaarsnelheid van 7,5 km/uur (voor recreatie- en beroepsscheepvaart), hierbij treedt een golfslag van 25 cm op. Bij verhoging van het peil (bij de huidige toegestane vaarsnelheid) kunnen de oevers beschadigd raken als gevolg van golfslag. Een verlaging van de vaarsnelheid kan dit eventueel voorkomen. Een verlaging van circa 7,5 km/uur naar 6 km/uur betekent een vermindering van de golfslag met circa 20 cm. Voor de scheepvaart is een peilverhoging niet wenselijk. Dit geldt met name in de zomer en het najaar wanneer sprake is van relatief veel recreatievaart.

Lingepand 14 heeft een zeer belangrijke bergingsfunctie, die niet aangetast mag worden door een eventuele peilverhoging. Vanuit de berging is het daarom niet wenselijk het peil te verhogen.

Peilafweging

Er zijn in dit pand diverse aspecten die een peilverandering onwenselijk maken. Zo is vanuit de bergingsfunctie en een deel van de woningbouw een peilverhoging onwenselijk. Een peilverlaging levert problemen op voor de scheepvaart en is niet wenselijk vanuit natuur en de landbouw.

Voorgesteld wordt het huidige peil te handhaven, met als aanvulling een marge van 10 cm naar boven in het voorjaar. Dit betekent niet een volledig ‘natuurlijk’ peilbeheer, maar wel een hoger peil in het voorjaar. Met name dit laatste is vanuit ecologisch oogpunt belangrijk. De restrictie is dat er geen sprake is van extreme neerslag in het vooruitzicht of dat er sprake is van een zeer natte periode. In dit geval zal hier op geanticipeerd worden door het peil in te stellen op het streefpeil van +0,80 m, zodat de berging maximaal is. In feite wordt met dit voorstel de huidige situatie geformaliseerd.

Opmerkingen

  • Het streefpeilbesluit dat voor de Linge wordt opgesteld is van een andere aard dan de peilbesluiten die doorgaans worden Voor poldergebieden vormt bijvoorbeeld de drooglegging van landbouwgronden die bediend worden door het oppervlaktewater een belangrijke peiler voor het peilbesluit. Voor de Linge is drooglegging niet van primair belang, maar ligt de nadruk op de waterloop zelf. De aan- en afvoer van water zijn de belangrijkste functies van de Linge. Dit is van invloed op de peilafweging
  • Aanvoerpeil ligt tussen van NAP +0,80 en +0,90 Tussen deze grenzen is er in principe altijd voldoende aanvoer van water mogelijk. Bij extreme watervraag kan peil worden opgezet tot het maximum
  • Voor het afvoerpeil wordt het huidige winterpeil De bergingscapaciteit blijft daarmee behouden
  • Gezien de lengte van pand 14, is er sprake van een bepaald peilverloop in het Het verloop van het peil is sterk afhankelijk van de situatie. Indien er geen afvoer plaatsvindt, is er in het pand geen verloop in het peil. Bij een (normale) afvoersituatie treden globaal de volgende peilen op:
    – NAP +0,70 m bij Hardinxveld
    – NAP +0,80 m bij Gorinchem
    – NAP +0,90 m bij Geldermalsen
    Deze peilen gelden alleen tijdens afvoer (spuien en/of pompen).
  • De natuurlijke dynamiek die wordt ingebracht met de tijdelijke verhoging in het voorjaar, komt ten goede aan de VHR-gebieden en ecologische Verdere verbetering van deze gebieden en kan bijvoorbeeld bereikt worden met inrichtingsmaatregelen (aanleg natuurvriendelijke oevers). Waar mogelijk wordt dit in diverse projecten meegenomen
  • Voor het Kanaal van Steenenhoek is een maximum peil van NAP +2,44 m Rekening houdend met de voorgestelde marges rond de aanvoer- en afvoerpeilen, zal dit peil (buiten mogelijke extreme omstandigheden) niet overschreden worden
  • Een verlaging van het peil kan ongunstig zijn voor archeologische en cultuurhistorische waarden. In pand 14 worden de huidige praktijkpeilen niet gewijzigd en door de peilen strikter te handhaven, zal over het algemeen de peilafwijking en dan met name het uitzakken van de peilen minder aan de orde zijn. Hierdoor zal de situatie niet verslechteren voor archeologische en cultuurhistorische waarden

Stuwpeilen en verhang

De genoemde streefpeilen gelden als gemiddelde peilen in het midden van het pand in een afvoer- of aanvoersituatie. Als gevolg van natuurlijk verhang binnen een Lingepand zal de waterstand bovenstrooms in het pand hoger en benedenstrooms bij de stuw lager zijn dan het gestelde streefpeil. Uit de huidige meetgegevens blijkt dat het verhang binnen de panden over het algemeen varieert tussen 0 en 10 cm.

Bij pand 14 zal het peilverloop binnen het pand anders zijn dan bij de andere panden. Bij een wateraanvoersituatie wordt de hoeveelheid in te laten water er op gestuurd dat er geen water meer over de laatste stuw wegstroomt. Dit betekent voor pand 14 dat er geen water wordt uitgelaten. Het peil is dan in het hele pand gelijk, er is geen verhang in deze situatie. Bij een waterafvoersituatie is er wel sprake van een verhang. Door de lengte van het pand is het peilverschil tussen bovenstrooms en benedenstrooms groter dan bij de andere panden. In een normale afvoersituatie bedraagt dit peil ongeveer 20 cm. Dit betekent dat het benedenstroomse peil 10 cm onder streefpeil (NAP +0,70 m) ligt en het bovenstroomse peil 10 cm boven streefpeil (NAP +0,90 m).

In de huidige situatie worden bij een peil van NAP +13 m of hoger bij Lobith de stuwen Krakkedel, Karbruggen, Kraaienstraat en Rijksweg op zomerpeil gezet in verband met het tegengaan van kwel. Voorgesteld wordt deze maatregel te handhaven bij het nieuwe streefpeilbesluit en bij het genoemde peil bij Lobith de stuwen op aanvoerpeil in te stellen.

Analyse peilen

  • Oppervlakte pand 14 is 1500 ha
  • Gemiddelde maaiveldhoogte is NAP +2,60 m
  • Percentage landbouw/fruitteelt is 30% / 9%
  • Maaiveldhoogte landbouw: NAP +2,70 m
  • Percentage bebouwd gebied is 16%
  • Maaiveldhoogte bebouwd gebied: NAP +4,45 m
  • Percentage bos en natuur is 23%
  • Maaiveldhoogte bos en natuur: NAP +1,37 m
  • Hoogte oever pand 14 is NAP +1 à 2 m

Opmerkingen van de Buurtvereniging

Een gedachte over “Peil Zouweboezem in streefpeilbesluit Linge”

  1. Opmerkingen van de Buurtvereniging
    Het streefpeilbesluit voor de Linge is van kracht sinds 2007. Het is gepubliceerd in De Staatscourant en in Het Kontakt etc.
    Dit peil geldt in de Zouweboezem. Het is een voortzetting van de vorige situatie en géén peilverlaging.
    De Zouweboezem loskoppelen van het stroomgebied van de Linge zal de natuurlijke dynamiek verstoren.
    De Zouweboezem heeft een oppervlak van 258 ha, dit is 17% van het oppervlak van Lingenpand 14.
    Een peilverhoging van 1 cm in de Zouweboezem is een verlies aan bergingscapaciteit van ruim 25.000 m³ water voor de Vijfheerenlanden.

Reageren niet meer mogelijk.