Dynamiek van Grondwater-Oppervlaktewater in Nederland

Bron: DINOLoket
GWOW2003_animatie-f6
Maand tot maand weergaven van het droge jaar 2003
Samenvatting

De uitwisseling van grond- en oppervlaktewater is cruciaal in het Nederlandse waterbeheer. In dit artikel wordt de seizoensafhankelijke grondwater-oppervlaktewater interactie voor heel Nederland in beeld gebracht voor een nat, een gemiddeld en een droog jaar. Uit deze studie met NHI 2.1 blijkt de interactie tussen grondwater en oppervlaktewater overal in Nederland een rol te spelen. Wel zijn er sterke ruimtelijke verschillen in de hoeveelheid en de aard van de interactie. Ook in de tijd bestaat er sterke variatie in de grondwater-oppervlaktewater interactie: zowel de verschillen tussen de jaren als de maand-tot-maand variaties zijn in veel gebieden groot. De uitgevoerde studie biedt goede perspectieven voor toepassing. Zo kunnen de kaarten en de methodiek door waterbeheerders ingezet worden bij het KRW proces.

Rapport

Download the PDF file Dynamiek GW-OW Interactie Nederland.

Conclusies en discussie

De belangrijkste conclusie van onze studie, is dat in alle gebieden in Nederland sprake is van grondwater-oppervlaktewater interactie, en dat deze interactie sterk dynamisch is. Er zijn grote verschillen waarneembaar tussen een nat, droog en een gemiddeld jaar, maar de maand-totmaand variaties zijn in veel gebieden minstens zo groot. In een nat jaar (1998) is er in de meeste gebieden 8 tot 10 maanden per jaar sprake van een kwelsituatie (geen infiltratie van oppervlaktewater naar grondwater), terwijl dit in een droog jaar (2003) slechts voor 2 tot 7 maanden per jaar geldt en er in veel gebieden een groot deel van het jaar infiltratie optreedt. De ruimtelijke patronen van die dynamiek zijn voor het eerst op landelijke schaal in beeld gebracht. Snel reagerende gebieden (dun watervoerend pakket, sterk ontwaterd) laten een sterke variatie in de grondwater-oppervlaktewater interactie over de tijd zien, in tegenstelling tot langzamer reagerende gebieden (dik watervoerend pakket, beperkt ontwaterd). Erg belangrijk is ook het verschil tussen wel- en niet peilgestuurde gebieden: door waterinlaat geduende droge maanden treedt in de peilgestuurde gebieden infiltratie van oppervlaktewater naar het grondwater op. Een onderscheid kan worden gemaakt tussen grofweg vijf grondwateroppervlaktewater hydrotypen: diepe polders, veenweidegebied, rivierengebied, sterk ontwaterd vrij afwaterend gebied met dun watervoerend pakket en relatief natuurlijk vrij afwaterend gebied met dik watervoerend gebied.

De verschillen tussen de gebieden hebben niet alleen betrekking op de totale grondwateroppervlaktewaterinteractie maar ook op de verdeling van over de afvoercomponenten: in sterk
ontwaterde, gecultiveerde gebieden zonder waterinlaat is de invloed van buisdrainage sterk, terwijl in gebieden met waterinlaat interactie via de waterlopen belangrijk is. In vrij afwaterende gebieden met een dik watervoerend pakket spelen alle grondwater-oppervlaktewaterfluxen een rol. Onderzoek van Rozemeijer en Broers (2007) wijst uit dat de verdeling van interactie over deze fluxen sterk varieert in de tijd. Dat dit niet zichtbaar is in onze studie, is waarschijnlijk het gevolg van de 250m schaal van de NHI-schematisatie.

Bij het interpreteren van de resultaten van onze studie moet rekening gehouden worden met het feit dat het een modelstudie betreft. De resultaten zijn dus handvatten om de grondwateroppervlaktewater interactie op landelijke schaal inzichtelijk te maken, maar kunnen lokaal afwijken van de werkelijke situatie. De waterbalansen per afwateringseenheid zijn tijdens onze studie niet gevalideerd. Het NHI 2.1 is wel gevalideerd, maar op landelijke schaal en voor grote stroomgebieden. De informatie die nodig is voor validatie van de waterbalansen op het niveau van afwateringseenheden ligt erg verspreid en is moeilijk te achterhalen, waardoor het uitvoeren van een complete validatie zeer tijdrovend is.